
Bereikbaar Voorne-Putten: vroeger, tegenwoordig en toekomst
Algemeen 2.186 keer gelezenDe bereikbaarheid van Voorne-Putten en met name Nissewaard staat onder druk. De aanleg van de Blankenburgverbinding moet de druk op de A15 rond de Botlekbrug verminderen. Gaat die verbinding daadwerkelijk zorgen voor een afname van de verkeersdruk of is daar meer voor nodig, zoals een extra oeververbinding waarvoor vooral in Nissewaard sterk gelobbyd wordt? En wat zijn de effecten van de Blankenburg-verbinding op de andere gemeenten op Voorne-Putten, op de economie, de woningbouw, de recreatie en het milieu?
In de serie Bereikbaar Voorne-Putten, die tot stand komt met behulp van een subsidie van de Provincie Zuid-Holland, proberen we een antwoord te geven op bovenstaande vragen. Wilt u meepraten over dit onderwerp, neem dan contact op met de redactie via redactie@grootnissewaard.nl
Voorne-Putten is ongeveer 20 km lang en 10 km breed. Er zijn twee belangrijke wegen. Aan de zuidkant loopt de weg van Hekelingen, via Zuidland, Oudenhoorn en Nieuwenhoorn naar Rockanje. Aan de noordkant loopt tussen Spijkenisse en Oostvoorne de Groene Kruisweg. De Groene Kruisweg verloste in 1934 de eilanden uit haar isolement. Tot die tijd lag er maar één weg op Voorne-Putten die geschikt was voor autoverkeer: de Rijksstraatweg van Brielle naar Hellevoetsluis.
In 1848 besloten negen gemeenten en 23 polders om de weg van Brielle naar het veer bij Nieuw-Beijerland met grind te verharden en gezamenlijk de kosten voor het onderhoud te dragen. In de jaren erna werden door de verschillende gemeenten meerdere wegen verhard. Toch was het geen pretje om over de weg te reizen. Het waren smalle wegen, met grind of steenslag wat de nodige lekke banden opleverde. Sommige wegen hadden in het midden een klinkerpad van 50 cm breed, het zg paardenpad. Langs dat pad liepen soms diepe wielsporen, die als het regende met water gevuld waren. In de bietentijd lag er een dikke laag modder op de wegen, in de zomer leverde iedere auto een grote stofwolk op. De weggebruiker moest wel een avontuurlijk type zijn, daar de weg over dijkkruinen, landwegen en verwaarloosd wegdek ging en men ook rekening moest houden met grote omwegen en afschrikwekkende bochten.
Na de aanleg van de Spijkenisserbrug en de komst van de tram naar Voorne en Putten ontstond de behoefte aan goede wegen.
In 1908 besloot de provincie te onderzoeken of de bestaande verbindingswegen verbeterd konden worden. De eisen die gesteld werden waren te hoog, zeker op financieel gebied en het plan ging de la in. In 1922 kwam er een nieuw plan, dat een hevige discussie opleverde. De verbeterde weg moest volgens de provincie over de bochtige, waterkerende dijken lopen. Het plan zorgde voor een tweestrijd tussen Voorne en Putten. Op Voorne was er vooral bezwaar tegen de vele bochten en het feit dat de weg door bebouwde kommen liep. Op Putten waren ze blij met het plan omdat de waterkerende dijken verbreed zouden worden.
De hele discussie leidde tot de oprichting van een comité dat zich schaarde achter het plan van Het Groene Kruis om een rechtstreekse verbinding tussen Brielle en de Waalhaven aan te leggen, die het tracé van de tramweg zou kunnen volgen. Zo konden zieken en gewonden veilig en snel naar het ziekenhuis vervoerd worden. Het moest een weg worden die zo recht mogelijk langs de trambaan zou komen en zo min mogelijk over dijkkruinen zou lopen. Die kruinen moesten namelijk opgehoogd worden, want ze zouden niet alleen een weg moeten dragen, maar ook hun functie als waterkering uit moeten voeren. De provincie voelde wel iets voor het idee van een contractweg, maar dan moest het contract van 1848 opgeheven worden en uiteraard moesten ook de financiële aspecten naar wens geregeld worden. Dan zou de bestaande weg verbeterd kunnen worden.
De polders Heenvliet en Geervliet waren geen voorstanders van de Groene Kruisweg. In het andere plan hadden ze een waterstaatsbelang met o.a. een dam in de Bernisse waardoor de polders watervrij zouden worden. Na vele vergaderingen besloten de polderbesturen akkoord te gaan met opheffing van het contact.
In 1925 werd door Provinciale Staten een commissie benoemd, die zich bezig zou gaan houden met de wegenverbetering op Voorne en Putten en dan met name zou rapporteren over de haalbaarheid van de Groene Kruisweg ten opzicht van het provinciale plan.
Vanuit Hellevoetsluis klonk overigens wel enig gemor, want waarom moest de weg eenzijdig door Voorne lopen? J. van den Ban Pzn. stelde voor om de weg over de huidige Drieëndijk naar het Kanaal door Voorne te laten lopen en langs het kanaal via de brug in de Ravensenweg naar de Rijksstraatweg te leiden. Of met een brug over het kanaal via de Mosterdijk naar de Rijksstraatweg. Hiervandaan kon er dan een verbinding naar de Penserdijk komen. Zo zou een kortere verbinding met Rotterdam ontstaan, wat in het voordeel zou zijn van het vervoer van land- en tuinbouwproducten, die niet uit Brielle kwamen.
De aanleg van de Groene Kruisweg was zeker voor die tijd een ongekend huzarenstuk. De weg zelf werd zes meter breed en geasfalteerd, daarnaast kwam er ook een vrij liggend fietspad. Ook moesten er talrijke bruggen en duikers aan gelegd worden tussen Rotterdam en Brielle. Rond de jaren 30 werden er overigens meer wegen geasfalteerd, zoals de weg van Brielle via Oostvoorne naar Rockanje, van Nieuwesluis via Heenvliet en Zuidland naar het veer bij Nieuw-Beijerland. Ook de weg langs het kanaal, van Nieuwesluis tot Hellevoetsluis werd een asfaltweg.
De Groene Kruisweg werd in drie etappes voor verkeer opengesteld. In 1932 kon het verkeer van Spijkenisse naar het Voornse Kanaal over de weg rijden. Een jaar later werd het stuk tussen Rotterdam en Hoogvliet in gebruik genomen en in 1934 volgde het deel tussen het Voornse Kanaal en Brielle. Vervolgens duurde het tot 1937 voor er een aansluiting kwam op de Rijksstraatweg naar Hellevoetsluis en er een weg kwam naar Oostvoorne en Rockanje.
Om inkomsten te genereren, was het gebruikelijk om tol te heffen. Wie van Brielle naar Hellevoetsluis reisde, passeerde maar liefst vier topbomen. Omdat ze rond 1900 verdwenen, hadden de automobilisten er geen last van. Eind jaren 20 kwam er een einde aan de ambachtsheerlijke tolheffing in Heenvliet en Zuidland. Hier moest betaald worden voor het passeren van de brug over de Bernisse. Ook op de weg naar het veer naar Nieuw-Beijerland moest tol betaald worden.

















