Afbeelding
Foto: Evelien Holleman

60 jaar gastarbeiders; een geschiedenis van vier generaties

Algemeen 2.908 keer gelezen

Hellevoetsluis - Door de snelle wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog en de groei van de industrie ontstaat in Nederland in de jaren vijftig een tekort aan arbeidskrachten. Daarom worden arbeiders aangetrokken uit landen waar weinig werk is. Nederland sloot wervingsakkoorden met verschillende landen. Aanvankelijk kwamen gastarbeiders uit onder meer Spanje en Italië naar Nederland. In 1964 werd een overeenkomst gesloten met Turkije, gevolgd door een akkoord met Marokko in 1969.

Omdat het 60 jaar geleden is dat een grote stroom gastarbeiders naar Nederland kwam, wordt van 31 maart tot en met 9 mei in de hal van het gemeentehuis van Voorne aan Zee portretten van een aantal van hen tentoongesteld. Dit zijn foto’s van vroeger maar ook foto’s van vier generaties. In Groot Hellevoet kunt u te zijner tijd een serie interviews lezen over de eerste generatie. En wat is er van hun kinderen en kleinkinderen terechtgekomen? In Hellevoetsluis kwamen met name Turkse gastarbeiders wonen. Ze verbleven onder meer in het Bellehuis en in de oude Barakken langs de Opzoomerlaan, tot die begin jaren ’80 werden gesloopt. In 1975 werd de Turkse Werknemersvereniging Voorne-Putten opgericht. Later kwam ook de Turkse Vrouwenvereniging tot stand.

We gaan in gesprek met Ummuhan Ozögul-Basin. Ummuhan is een bekend gezicht in Hellevoetsluis. Ze werkt niet alleen bij gemeente Voorne aan Zee, maar is ook al jaren voorzitter van de eerdergenoemde Turkse Vrouwenvereniging. Hellevoetsluis heeft sinds de komst van de eerste gastarbeiders een grote Turkse gemeenschap. Ummuhan vertelt het verhaal van haar ouders, Muslu en Fatmana Basin, die vanuit Turkije naar Nederland kwamen om een nieuw leven op te bouwen. Een keuze die impact had op het jonge gezin.

“Mijn vader (destijds 41) kwam januari 1965 naar Nederland. Mijn moeder was zwanger van mij, hun vierde kind. Voor vrouwen die achterbleven was het zwaar als hun man vertrok om te werken als gastarbeider. Ze stonden er alleen voor om het gezin, vaak met jonge kinderen, draaiende te houden. De mannen vertrokken niet voor niets’; er was veel armoede. Mijn vader was boer, de laatste twee jaar in Turkije runde hij het dorpscafé. Het was niet makkelijk om alle monden te voeden. Hij zocht een manier om een goede toekomst voor zijn kinderen op te bouwen. Mijn vader had overigens zelf geen makkelijke jeugd. Hij werd samen met zijn broer al vroeg wees en zij groeiden op bij hun tante. 

Ik zag mijn vader voor het eerst toen ik twee jaar was en hij zijn gezin opzocht in Turkije. We woonden in een dorp, Aydogdu, Denizli, op het platteland. Mijn moeder werd zwanger van mijn jongere zusje, dus er kwam nog een kindje bij om te verzorgen. Een paar jaar later, ik was inmiddels vier, stond mijn vader onverwachts voor me toen ik buiten aan het spelen was. Hij herkende me aan mijn ogen en wilde me oppakken. Maar ik was helemaal geen mannen gewend thuis; we waren met allemaal meiden. Ik rende weg naar mijn moeder, met mijn vader achter me aan. Pas in de laatste weken dat hij er was, kreeg ik het gevoel dat hij mijn vader was. Hij ging weer terug naar Nederland om te werken. Toen oma (zijn tante), die bij ons in huis woonde, overleed, besloot mijn vader dat we naar Nederland moesten komen. Dat was in 1971. Maar omdat we een groot gezin hadden, was mijn vader bang dat we niet als gezin over de grens zouden komen. Mijn zus van 11 en ik, 6 jaar oud, bleven tijdelijk bij de broer van mijn vader. Achteraf weet ik dat dit voor mij traumatisch is geweest. Ineens was iedereen weg, onze dieren waren weg en we hadden geen eigen huis meer. Een paar maanden later gingen mijn zus en ik ook naar Nederland. Daar is mijn broertje geboren. Dus we waren uiteindelijk met vijf meiden en één jongen.

In Nederland kwam het gezin Basin in Amersfoort terecht.Mijn vader werkte onder meer in een verffabriek, bij Sissi Frisdranken en ijzerbedrijf Hapam. Maar hij had ambities: hij wilde een huis kopen. In die tijd wist men niet hoe ze een woning aan een gastarbeider konden verkopen. Mijn vaders leidinggevende, meneer Clement, heeft hem geholpen door samen een huis te kopen. Dat moest een pension worden voor gastarbeiders. Het pension liep goed en mijn vader kon meneer Clement al snel uitkopen. Vlak bij het pension kocht hij een herenhuis waar wij konden gaan wonen. Al snel werd ons huis opengesteld voor andere gezinnen van gastarbeiders die nog geen eigen woning hadden. Dus zodoende hebben we nooit een eigen kamer gehad en moesten we altijd delen. Ik heb er goede herinneringen aan. Ik denk dat dit de reden is dat ik zelf sociaal ben en altijd mensen om me heen wil hebben. De goede band die mijn vader met meneer Clement had, is gebleven; ze hebben altijd contact gehouden.

Eenmaal in Amersfoort moest Ummuhan natuurlijk naar school. Mijn zus van 11 kwam in klas 2 en ik in klas 1. Omdat ik zoveel moest huilen, mocht de deur tussen de klassen openblijven staan, zodat ik mijn zus kon zien. We waren anders met onze donkere haren tussen de blonde kindertjes, maar we waren heel geliefd. Natuurlijk konden kinderen soms gemeen doen. Dan zeiden ze “Turk augurk” of iets dergelijks, maar wij beten wel van ons af als het nodig was. Teuny, een meisje met rood haar, werd mijn vriendin. En met een ander vriendinnetje van de basisschool, Judith, heb ik nu nog steeds contact. Zij las graag onze Turkse boekjes hardop voor op haar manier, en dan moesten wij zo lachen. Ik heb mooie herinneringen aan mijn jeugd in Amersfoort.

Mijn vader was klein van stuk, hard, rechtvaardig, gedisciplineerd én lief. Hij zei ons wat verboden was en daar moesten wij onze weg in vinden. En daar hielden we ons aan. We waren niet tegendraads, misschien waren we wel te lief. We mochten geen minirok aan, maar hij liet ons vrij of we een hoofddoek wilden dragen. Mijn moeder was strenger en vond dat we dat eigenlijk wel moesten. Alle kinderen zijn goed terechtgekomen.” 

Al snel nadat het gezin was overgekomen naar Nederland, bleek Ummuhans vader ziek te zijn. Hij had COPD. “Veel mannen rookten in die tijd, en mijn vader rookte heel veel. Hij werd erg ziek, bleef doorroken, en zijn arts gaf hem nog een paar jaar te leven. Hierdoor wilde hij halsoverkop terug naar Turkije. Mijn moeder huilde veel, omdat ze eigenlijk voor haar moeder wilde zorgen, die verlamd was en in Turkije woonde. Mijn vader verkocht zijn huizen en ze vertrokken naar hun geboorteland om daar weer een nieuw leven op te bouwen. Ik was veertien toen we weer teruggingen in 1979. Ik moest opnieuw beginnen, wéér naar een nieuwe school. We gingen niet terug naar ons geboortedorp, maar naar een kleine stad waar mijn vader een stuk grond had gekocht en een huis liet bouwen. In Turkije heb je een diploma van de basisschool nodig om verder te kunnen leren, maar dat had ik natuurlijk niet. Ik was boos op mijn ouders dat ze terug waren gegaan naar Turkije en ik weigerde om weer naar school te gaan. Mijn drie oudste zussen, die in Amersfoort waren gebleven, wilden niet de verantwoordelijkheid voor mij dragen, dus bleef ik in Turkije. Ik paste op oma, ging naar de Koranschool en volgde naai- en kooklessen. Toen ik 17 was, kwam mijn man Bayram naar Turkije voor zijn militaire dienst. Hij woonde in Hellevoetsluis; zijn vader werkte bij de Rubberfabriek. Onze vaders zijn achterneven. Ik vond het een leuke jongen en we werden verliefd. Toen ik 18 was, zijn we getrouwd en kwam ik ook in Hellevoetsluis terecht. Net als zijn vader en veel familieleden heeft mijn man lang bij de Rubberfabriek gewerkt, totdat hij onlangs werd ontslagen vanwege de sluiting van de fabriek. Door mijn schoonvader (zijn achterneef) had mijn vader het destijds aangedurfd de stap te zetten om te vertrekken uit ons dorp en een nieuw leven op te bouwen in Nederland. En ondanks dat ik in Turkije mijn diploma’s niet heb behaald, ben ik in Nederland wel gaan leren en heb ik me verder ontwikkeld.

Voor veel gezinnen van gastarbeiders is het niet makkelijk geweest. “Mijn moeder zei altijd mijn hart is verdeeld tussen twee landen. Zij heeft altijd spijt gehad dat ze terug is gegaan naar Turkije, want ze miste haar dochters die in Nederland woonden heel erg. Voor mijn vader was het wel goed. Eenmaal in Turkije heeft hij een tijd in coma gelegen, gelukkig kwam hij daaruit, stopte resoluut met roken en heeft nog 16 jaar geleefd. Mijn moeder zei altijd je moet blijven waar je kinderen zijn. Dus ik zal zelf die stap niet snel nemen om weer terug te gaan. Destijds had je overigens nog geen dubbele nationaliteit dus het was niet zo makkelijk om zomaar terug te gaan. Mijn vader overleed in 1995, mijn moeder is vorig jaar overleden.”
Inmiddels is de vierde generatie een feit. Ummuhan en Bayram kregen zelf drie kinderen: Ufuk, Musa en Fatma. Ook zijn er nu ook twee kleinkinderen. Musa kreeg met Fatma (naamgenoot van zijn zus) zoontje Ayhan Bayram. En dochter Fatma, woonachtig in Duitsland, kreeg samen met haar man Salih een dochter Eslina. Ufuk werkt bij DCMR, zijn broer Musa is verladingsoperator bij Vopak en zus Fatma werkt als administratief medewerker bij Kavo Dental.

Er is wel wat veranderd in de loop der jaren volgens Ummuhan. “Ik vind onze Turkse tradities belangrijk; voor de nieuwe generatie is dat minder belangrijk. Zij hebben de Nederlandse mentaliteit overgenomen. Een voorbeeld? Bij elkaar thuis op visite gaan. Tegenwoordig spreken ze vaker af bij een café of om te lunchen. Maar dat is niet alleen hier in Nederland zo, ook in Turkije is dat veranderd. Gastvrijheid is er nog wel, maar het is anders geworden.”

De Turkse gemeenschap is grotendeels opgegaan in de Hellevoetse samenleving. Er is wederzijds begrip afgezien van een enkeling die zich stoort aan het vrijdaggebed. “Ik heb nooit echt met racisme te maken gehad. Alleen één moment staat in mijn geheugen gegrift en dat is 9/11 in Amerika. Toen werd ik erop ‘aangevallen’ dat ik moslim ben. Dat heeft me heel erg aangegrepen, net alsof we allemaal potentiële terroristen zijn. Wat wij ook ervaren is dat als er iets ergs gebeurd, in Nederland of elders in de wereld, dat we allemaal hopen dat de dader geen moslim is.”

Op 9 april van 19.00 tot 22.30 uur wordt een speciale avond gehouden bij Theater Twee Hondjes ‘Ode aan 60 jaar gastarbeiders’.

We zijn op zoek naar verhalen van (voormalige) gastarbeiders of hun familieleden voor een artikel over hun ervaringen en impact. Ook zijn wij benieuwd naar de verhalen van Nederlanders die met gastarbeiders trouwden of ze als buur, vriend of vriendin hadden. We zullen een aantal van deze verhalen publiceren in onze krant. Wil je jouw verhaal delen? Mail dan redactie@groothellevoetmediacentrum.nl

Links op de foto Ummuhans vader Muslu Basin.
Stuur jouw foto
Mail de redactie
Meld een correctie

Uit de krant