
Mien met den enen bil, zeelui en danshuizen in de vesting
Actueel 346 keer gelezenHellevoetsluis - Wie vandaag door de vesting van Hellevoetsluis loopt, ziet vooral een rustige historische plek. Maar in de negentiende eeuw ging het er een stuk minder ingetogen aan toe. Kroegen, danshuizen en bordelen zorgden voor een levendig - en volgens sommigen zedeloos - nachtleven. De aanwezigheid van zeevaarders en wachtende schepen maakte van het stadje een plek waar drank, vertier en prostitutie welig tierden.
Hellevoetsluis stelde in de zeventiende eeuw nog niet zo veel voor. Dat veranderde toen de Rotterdamse admiraliteit haar oorlogsschepen niet langer gemakkelijk via de Maas naar zee kon sturen. De vloot week uit naar Hellevoetsluis, dat daarmee uitgroeide tot een belangrijke marinehaven.
In 1665 werd admiraal Michiel de Ruyter benoemd tot opperbevelhebber van de Nederlandse vloot. Volgens de traditie vertrok hij aan het begin van elk campagnejaar vanaf een schip uit de thuishaven van de Rotterdamse admiraliteit - en dat was Hellevoetsluis. Voor elk schip moest een enorme voorraad worden ingeslagen. Het was gebruikelijk dat de vrouw van de kapitein de inkopen regelde. Brood, beschuit, bier, boter, kaas, spek, gort en erwten werden in grote hoeveelheden aangeschaft. Voor een schip met zo’n vierhonderd matrozen, die minstens tien weken op zee bleven, liep de rekening op tot duizenden guldens. Voor de lokale economie was dat een flinke stimulans.
De marinemannen stonden niet bepaald bekend als geheelonthouders. Toen in 1881 het huidige Tromphuis werd geopend als ontspanningsruimte voor marineofficieren, machinisten en bootsmansleerlingen, probeerde men het aanvankelijk zonder alcohol. Dat bleek al snel onhoudbaar: de mannen wilden graag een biertje drinken en de marineleiding gaf uiteindelijk toe. Ook in de vesting zelf ontstond een bloeiend uitgaansleven. Kroegen, tapperijen en zogenoemde danshuizen openden hun deuren. Die naam klinkt onschuldig, maar in de praktijk waren het vaak plekken waar meer gebeurde dan alleen dansen. In 1868 verscheen in het Weekblad van Voorne, Putten, Overflakkee en Goedereede een ingezonden brief waarin inwoners hun zorgen uitten. De schrijver sprak over “zedenbedervende huizen” en prees de pogingen van de politie om ze te sluiten. Andere
kranten schreven dat men er “vele vrolijke snaken, maar zelden huiselijk geluk” aantrof en dat “onder den invloed van drank en dans de zedelijkheidsbegrippen te gronde gaan”.
Opvallend genoeg waren deze uitgaansgelegenheden niet in de eerste plaats bedoeld voor militairen. Historicus Bob Benschop beschrijft in zijn boek ‘Wijken voor de Wall’ dat militairen niet zomaar een bordeel konden bezoeken. Voor zeelieden lag dat anders. In de tijd dat het Kanaal door Voorne een belangrijke scheepvaartroute was, moesten koopvaardijschepen soms dagen wachten voordat ze verder konden varen. Op drukke momenten lagen er wel tachtig schepen tegelijk voor anker. Na weken op zee zochten de bemanningsleden ontspanning aan wal. Dat zorgde voor een levendige, maar ook beruchte reputatie voor Hellevoetsluis. Onderzoek laat zien dat het aantal prostituees in de stad relatief hoog was - zelfs hoger dan in Den Helder. Halverwege de negentiende eeuw was er ongeveer één prostituee op de tweehonderd inwoners. Later liep dat op tot één op de honderdtachtig. Sommige vrouwen werden lokaal bekende figuren. Namen als Keetje, bijgenaamd de Mottige, Mie met de Paardenkop, Lijsbet Burt, Kaat, Mie met den enen Bil en Pietje Fijn deden de ronde in de stad. Als mannen op deze vrouwen scholden, dan noemden ze deze vaak ‘karooy’ of ‘smots’. De Hoofdwachtstraat stond bekend als de beruchte achterbuurt van Hellevoetsluis. In historische beschrijvingen wordt de straat getypeerd als een plek vol kroegen en bordelen, waar kleine kamers werden verhuurd aan wie kon betalen. De omstandigheden waren er vaak slecht en het was er vrijwel voortdurend rumoerig. In 1883 stond in de Nieuwe Brielsche Courant: “In de nacht van 19 op 20 dezer hebben rinkelrooiers in de Hoofdwachtstraat een beestachtig kabaal geschopt en de lui in hun nachtrust gestoord.” En een jaar later: “Onze rinkelrooiers schijnen andere beginselen te hebben, ten minste één telegraafpaal aan den Brielschen straatweg werd hedenavond uit pure barbaarsche pret uit den grond getrokken.” Een andere quote: “Hoeveel pimpelaars en rinkelrooiers zouden den moed missen, van hun zuurverdiend weekgeld een groot gedeelte in de kroeg te verbrassen….”.
De prostitutie speelde zich af in bordelen - destijds hoerhuizen genoemd - maar ook in tapperijen en danshuizen waar zeelieden bijeenkwamen. Vaak ging het om kleine ondernemingen, geleid door een waardin of madam met één of enkele vrouwen in dienst. In Hellevoetsluis bevonden zich bordelen in onder meer de Hoofdwachtstraat, Molenstraat, Peperstraat en de Vlooienhoek. Het bekendste bordeel was dat van Baggerman. Over deze plek bestaat zelfs een lied dat nog regelmatig door shantykoren wordt gezongen.
In verhalen over prostitutie duikt regelmatig het woord ‘lichtekooi’ op. Het is een oude benaming voor een vrouw van lichte zeden. De herkomst van het woord is niet helemaal duidelijk. Volgens de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren kan het woord deels uit de scheepvaart afkomstig zijn. Het woord ‘kooi’ zou teruggaan op het Franse cul, een vulgair woord voor achterwerk. Het woord ‘licht’ zou verband houden met het optillen of bewegen daarvan. In die uitleg ‘licht iemand haar kooi’. In Frankrijk werd prostitutie aan het begin van de negentiende eeuw zelfs gelegaliseerd. Zodra ‘s avonds de gaslantaarns werden aangestoken, mochten de vrouwen naar buiten om klanten te zoeken. In Nederlandse steden gebeurde dat meestal niet. Prostituees werkten vaak in kroegen en herbergen. In de volksmond kregen zulke plekken namen als hoerenkot, ravothuis of speelhuis. Zo ontstond een wereld die grotendeels buiten het zicht van de samenleving bleef.
Hoewel prostitutie officieel werd afgekeurd, werd zij lange tijd gedoogd. In sommige steden waren er zelfs herkenningstekens. In Middelburg moesten bordeelhouders bijvoorbeeld een tinnen pintkannetje met een palmboompje buiten hangen, zodat bezoekers konden zien dat het om een bordeel ging. Toch bleef prostitutie strafbaar, net als seks buiten het huwelijk. In de praktijk werden vooral vrouwen gestraft. Mannen werden vaak gezien als verleidde slachtoffers. Vrouwen die werden opgepakt, konden worden verbannen uit de stad. Andere straffen waren lijfstraf, enkele dagen op water en brood of het dragen van zogenoemde stedestenen: twee stenen met het stadswapen die aan een ketting om de hals hingen. Soms werden vrouwen zelfs op een vuilniskar door de stad gereden.
Minder tolerantie
In de loop van de negentiende eeuw nam de tolerantie voor prostitutie af. Waar eerder vooral kerken bezwaar maakten, begon ook de overheid strenger op te treden. Den Haag voerde in 1825 een nieuw reglement in voor ‘publieke vrouwen en huizen van ontucht’. Prostituees moesten voortaan regelmatig medisch worden gecontroleerd en dat kunnen aantonen met een zakboekje. Ook landelijk veranderde de wetgeving. In de Gemeentewet van 1851 kreeg de burgemeester officieel de verantwoordelijkheid voor toezicht op herbergen, tapperijen en ‘openlijke huizen van ontucht’. Verschillende gemeenten, waaronder Brielle en Hellevoetsluis, voerden daarna nieuwe regels in. In Hellevoetsluis had de gemeenteraad al in 1836 een speciale politieverordening opgesteld om de overlast van bordelen en prostitutie te beperken. Zo probeerde de stad grip te krijgen op een fenomeen dat eeuwenlang onlosmakelijk verbonden was met het leven in een drukke havenplaats.
















