De dijkdoorbraak bij Oudenhoorn in februari 1953.
De dijkdoorbraak bij Oudenhoorn in februari 1953. archief Stadsmuseum Hellevoetsluis

69 jaar geleden: Watersnoodramp

Volgende week is het 69 jaar geleden dat Nederland werd getroffen door de watersnoodramp. De Watersnoodramp of Februariramp vond plaats in de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953.

Het stormde die nacht hard, dat is niet ongebruikelijk in die tijd van het jaar. En het was hoog water, ook geen uitzondering. Daarom gingen de mensen die zaterdagavond gewoon naar bed. Maar ’s nachts wakkerde de storm aan tot een orkaan. En doordat het springvloed was, stond het water extra hoog. Vervolgens voltrok zich in enkele uren een ramp. Het water stroomde over de dijken heen en zeedijken braken door. Het water sloeg met kracht tegen de binnendijken. De polders liepen vol en ook volgende dijken braken door.

De gebeurde tussen 03.00 en 06.00 uur. Vloedgolven van soms twee meter hoog rolden de polders in. Een groot gebied in Zuid-Holland en Zeeland kwam onder water te staan. Verbindingen waren verbroken in de getroffen gebieden. Daarom had de rest van Nederland geen enkel idee hoe erg de mensen en dieren in Zeeland er aan toe waren. Ook op Voorne-Putten en Rozenburg waren de dijken niet op de natuurkrachten berekend. Er ontstonden tientallen gaten, van 5 tot wel 200 meter lang.

Het aantal doden in Nederland bedroeg 1836, waarvan 37 op Voorne-Putten. Zuidland werd het zwaarst getroffen met 21 slachtoffers.

Voorne-Putten
Het kanaal door Voorne was tijdens de watersnoodramp de scheiding tussen wel en niet ondergelopen gebied. De eerste dagen na de ramp is er met man en macht gewerkt om langs het kanaal ter versteviging een dam van houten schotten aan te leggen. Bij Oudenhoorn had het water een gat geslagen in de zeedijk en waren de polders onder gestroomd. Abbenbroek lag laag en kwam geheel onder water te staan. Er was hier slechts één slachtoffer te betreuren, maar de materiële schade was groot. Mensen moesten per boot of helikopter geëvacueerd worden, complete veestapels kwamen om. De kerk van Abbenbroek was alleen nog per boot bereikbaar en tussen de kerkbanken dreven kadavers van omgekomen dieren.

Zuidland was het zwaarst getroffen dorp van Voorne-Putten. Er waren 21 slachtoffers te betreuren. Het stroomgat in de Oudenhoornse zeedijk zorgde ervoor dat de polders snel onder water kwamen te staan. Veel mensen hadden de tijd niet om te vluchten. Degenen die dat nog wel konden vluchtten naar de Ring, dat was het hoogste punt. Monument De Korenaar in de vijver is in 2003 onthuld ter nagedachtenis aan de heftige en droevige gebeurtenissen in Zuidland.

Bij Oudenhoorn moest het gat in de dijk uiteindelijk worden gedicht met caissons uit Normandië. Aan deze dijk is ook een herdenkingsmonument geplaatst. De inwoners van Oudenhoorn hadden relatief meer tijd om een veilig heenkomen te vinden. Bij de overstroming bleef een drempel liggen, die pas bij het volgende tij wegspoelde. Hierdoor konden veel mensen geëvacueerd worden.

Op Putten vielen geen slachtoffers. Putten en het westen van Voorne werden een eerste vluchtgebied voor de getroffen plaatsen.

Hellevoetsluis
In Hellevoetsluis kwam de Vesting onder water te staan. Ten noorden van het Marinehospitaal waren in de vestingwal drie gaten geslagen. Omdat de vloedplanken niet aangebracht waren in de Brielse Poort, stroomde het water de vestinggracht in en overstroomde vervolgens de polder. Oudere inwoners kunnen nog vertellen wat ze die dagen meemaakten. Eén van hen: “De ouders van mijn echtgenoot woonden aan de Katerwaalsedijk. Zij vluchtten met twee dochters het huis uit en liepen met de enkele koeien aan een touw over de dijk naar Heenvliet. Daar werden ze opgevangen in een café, waar ze droge kleren kregen. Vervolgens werden ze naar het oude Ahoy gebracht en toen naar het Feyenoordstadion. Daarna kwamen ze in Delft terecht om uiteindelijk te eindigen in Hillegom. Daar zijn ze tot mei gebleven.”

Mevrouw vervolgt: “Mijn echtgenoot voer met een roeiboot naar het ouderlijk huis en klom daar door het kleine dakraam naar binnen. Hij vond er nog één van de katten die in paniek naar de zolder was gevlucht. Hij nam deze met nog wat daar aanwezige kleding mee in de roeiboot. Helaas is de kat alsnog verdronken. Verder herinner ik me dat er moest worden uitgezocht waar alle kinderen waren ondergebracht. De communicatie was uitgevallen dus dat was een moeilijk karwei. Gelukkig heeft de ramp in onze familie geen slachtoffers geëist.”

Hulp
Hulp werd van alle kanten geboden, zowel uit binnen- als buitenland. In Zuidland boden onder andere de Noren hulp en Abbenbroek kreeg hulp uit Zweden in de vorm van twee houten woningen die aan het Zweedseplein staan. Mensen werden ondergebracht bij familie en onbekenden die in niet getroffen gebied woonden. Iedereen hielp elkaar waar mogelijk. Olaertsduyn werd na de ramp tijdelijk gebruikt voor de opvang van evacués van Flakkee.

Na de ramp kwamen hele groepen mensen de getroffen gebieden helpen met modderruimen en schoonmaken. Er was een grote saamhorigheid in Nederland. Het duurde tot eind maart eer de polders weer droog waren. Landbouwers kregen tonnen gips aangeboden, die over het land werden uitgestrooid. Gips trok het zout uit de bodem. Dat werkte goed. De oogst van 1954 was al weer redelijk te noemen.

Brielse Maasdam
‘De Deltawerken ontstonden na de watersnoodramp.’ Deze stelling klopt niet. De Brielse Maasdam werd al in 1951 aangelegd, waardoor het Brielse Meer ontstond. De dam werd ondermeer aangelegd ten behoeve van de landbouw, met name om verzilting tegen te gaan. Tijdens de stormvloed van 1953 kreeg de Brielse Maasdam het zwaar te verduren en moesten er zandzakken aangebracht worden om de dam te verzwaren. Hierdoor kon een doorbraak voorkomen worden en bleven Oostvoorne, Het Kruininger Gors en Rockanje droog.

Na de watersnoodramp werd besloten om het Haringvliet af te sluiten van de zee. Deze sluizendam is in 1970 voltooid.

Foto's archief Stadsmuseum Hellevoetsluis

Drogen van huisraad na de Watersnoodramp.
Er werd met man en macht gewerkt om het water te bedwingen.